foodFIRST for Thought

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling

© 2013-06-17 | Hans Groen

Het gaat in deze Vijverbergsessie met name om de immateriële aspecten van de coöperatie: het onderlinge vertrouwen, het vertrouwen in het management en culturele, sociale en ethische aspecten, inclusief leiderschap. Centrale vragen zijn: wat zijn de recente ervaringen met het promoten van coöperatieve organisaties in Afrika? Wat zijn de resultaten? Hoe is daar omgegaan met eerder genoemde problematiek? Doâ??s and donâ??ts? En wat zijn realistische perspectieven?

Op de FoodFirst-Floriade conferentie van 24 april 2012 over coöperaties en landbouw-ontwikkeling werden door verschillende sprekers de sterke kanten van het coöperatieve model naar voren gebracht. Als het erom gaat de boerengezinsbedrijven hun bijdrage te laten leveren aan voedselzekerheid, dan zijn coöperaties daarbij haast onontbeerlijk. De boerengezinsbedrijven leveren individueel te lage volumes voor de markt, ze hebben moeite met kwaliteitsmanagement, last van hoge transactiekosten, en ze hebben zeker in ontwikkelingslanden geen toegang tot krediet, verzekeringen en andere diensten.
Het coöperatief organiseren is één van de sleutels tot de oplossing van deze problemen.

Tegelijkertijd zijn hierbij van diverse kanten kanttekeningen geplaatst, die op de Floriadeconferentie echter niet konden worden uitgediept. Daar wordt in deze Vijverbergsessie nader op ingegaan.
Het gaat daarbij met name om de immateriële aspecten van de coöperatie: het onderlinge vertrouwen, het vertrouwen in het management en culturele, sociale en ethische aspecten, inclusief leiderschap. Centrale vragen zijn: wat zijn de recente ervaringen met het promoten van coöperatieve organisaties in Afrika? Wat zijn de resultaten? Hoe is daar omgegaan met eerder genoemde problematiek? Doâ??s and donâ??ts? En wat zijn realistische perspectieven?
Nederland heeft een eeuwenoude traditie op dit gebied en een coöperatieve sector die springlevend is en zeer internationaal georiënteerd.
â??
Dagvoorzitter Doeke Faber, voorzitter van de FoodFirst Stuurgroep opent de Vijverbergsessie met het onderstrepen van het belang van coöperaties als instrument voor ontwikkeling en versterking van boerengezinsbedrijven in ontwikkelingslanden. Zoals opgemerkt tijdens de Floriade-conferentie blijkt het moeilijk om coöperaties in stand te houden: zes op de zeven coöperaties houdt na verloop van tijd op te bestaan. Dit kan, ten eerste, verklaard worden door de manier waarop de organisatie is opgezet, het proces van totstandkoming, en ten tweede door de wijze waarop ze worden gerund.
Wie heeft behoefte aan coöperaties? In Nederland werd in 1886 in Warga de eerste zuivelcoöperatie opgericht door boeren die niet langer tegen elkaar wilden worden uitgespeeld door de opkopers. Deze reden om een coöperatie op te zetten geldt nog steeds. Er zijn miljoenen kleine boeren (kleiner dan 10h) die een belangrijke rol spelen in de wereldvoedselproductie, maar problemen ondervinden bij het verwerken en afzetten van hun producten. Ze kunnen geen vuist maken op de markt, hebben problemen met kwaliteitsbewaking en hoge transactiekosten.
Nederland is succesvol geweest met het opzetten van coöperaties, waarvan enkele tot de wereldtop behoren, zoals FrieslandCampina, de Bloemenveiling FloraHolland en de Rabobank. Voor een succesvolle coöperatie is vertrouwen nodig, en trouw, want niet op elk moment biedt een coöperatie het maximaal haalbare op de markt. Op de Floriade conferentie op 24 april 2012 vertelde Daniel Njenga van Kiambaa Dairy Farmers in Kenia hoe leden van de coöperatie hun melk ook buiten de coöperatie verkopen als een handelaar ze een hogere prijs biedt.
Wat zijn de voorwaarden voor het succes van een coöperatie? Meer toegespitst: hoe om te gaan met zowel de zachte voorwaarden van vertrouwen en sociale binding, naast de harde, technische, bedrijfseconomische en organisatorische voorwaarden? En: kunnen die zachte voorwaarden worden getransplanteerd naar elders om daar een succesvolle coöperatie op te zetten? Het doel van de gedachtewisseling is om een aantal nieuwe inzichten te verkrijgen over het bevorderen / helpen opzetten van coöperaties in ontwikkelingslanden.

Dirk Duijzer: Ontstaan van de coöperaties
Eerste constatering: coöperaties zijn nooit een doel op zichzelf geweest. Ze zijn ontstaan als antwoord op een failliet systeem van een doorgeschoten kapitalisme tijdens de industriële revolutie. In het Rijnland rond 1850 heerste grote armoede. Om de nood te lenigen richtte Friedrich Wilhelm Raiffeisen eerst een bakkerij op en daarna een liefdadigheidsinstelling, die hij vervolgens omvormde tot een boerenleenbank, met als doel het ondernemerschap van mensen te bevorderen en ze gezamenlijk verantwoordelijkheid te laten nemen. Een coöperatie heeft dus niet 'samenwerking' ten doel, maar het ondersteunen van een ondernemer opdat die zelfstandig ondernemer kan zijn. Dit bleek succesvol te zijn, een lean and mean model, dichtbij de mensen. Maar geen romantiek: de motivatie om een betere ondernemer te worden, was uitgangspunt, en dus schreef Raiffeisen in zijn eerste boek dat als mensen niet willen werken, ze ook niet zullen eten. Onderwijs en opleiding zag hij als noodzakelijke complementen. Raiffeisen heeft zo ook aan de wieg gestaan van het model in Nederland, waarin ondernemerschap gekoppeld wordt aan onderwijs en onderzoek.
Tweede constatering: de levensvatbaarheid en het succes van een coöperatie worden wezenlijk vergroot als zij gestut wordt door omliggende structuren. Een coöperatie doet het beter als zij onderdeel is van een complex van organisaties van allerlei aard, waarin boeren en hun gezinnen deelnemen.
Dat heeft ook consequenties voor de wijze van totstandkoming. Een coöpperatie richt je op met de mensen zelf, niet door en met mensen van buiten af. Dat betekent aanhaken bij vertrouwensrelaties die mensen al hebben, bij al bestaande verbanden in de lokale gemeenschap. Ook het bestuur moet lokaal verankerd zijn, geen externen. Dit is overigens wel de situatie momenteel in Nederland, waar coöperaties vaak worden geregeerd door professionals, met allerlei toezichtsstructuren. Dat reflecteert noch leidt tot het voor een coöperatie noodzakelijke vertrouwen. Het is essentieel om mensen met capaciteiten en verantwoordelijkheidsgevoel uit de eigen gemeenschap in te zetten, voortdurend de verbinding met de leden te activeren, dichtbij mensen te blijven en zo een bestendig en langdurig commitment te genereren.
Mensen groeien als ze de ruimte en de bevoegdheid krijgen om verantwoordelijkheid te nemen. Neem ze serieus. Een voorbeeld a contrario. Het Wereld Natuurfonds stelde de Rabobank voor met een aantal andere global players in Food en Agro samen het verschil te gaan maken. Die bedrijven zouden dan als ketenregisseurs voor efficiëntere voedselproductie en meer voedselzekerheid moeten zorgen. Dit is echter een verkeerde aanpak, vanuit een verouderd Angelsaksisch en feodaal denkmodel dat alleen maar zal leiden tot uitbuiting, armoede en ellende. Alle spelers in de keten zullen hun marge nemen, waarna er voor de lokale producent niets meer overblijft. Het gaat juist om het betrekken van de lokale gemeenschap en producenten, om die te stimuleren het beste uit zichzelf te halen en die als volwassen schakel in de keten te ontwikkelen. De Rabobank heeft overigens inmiddels met het WNF een contract getekend om lokale boeren te organiseren en te ontwikkelen met onderwijs, gezondheidszorg, bewaartechnieken e.d. om een volwassen schakel in de keten te worden.
Nederland staat bekend als de tweede grootste landbouwexporteur in de wereld. Maar waarom is Nederland tweede? Omdat er in de wereld weinig landbouwproducten worden geëxporteerd. De Verenigde Staten heeft als doel voldoende voedsel voor de eigen bevolking te produceren. De extra productie die niet nodig blijkt, wordt geëxporteerd en met dat overschot is de USA al de grootste exporteur van landbouwproducten. Nederland exporteert voornamelijk naar Duitsland en zouden we Nederland en Duitsland als één regio bezien, dan is er nauwelijks nog sprake van export. Uiteindelijk wordt in de wereld wordt slechts vijf procent van de landbouwproductie geëxporteerd. Waarom is dit een relevante constatering? Overal in de wereld hebben landen als beleid het veiligstellen van de eigen voedselvoorziening. Hoe vreemd en vervelend we dat in Nederland soms vinden, landen zullen steeds hun grenzen voor export van landbouwproducten sluiten als er door misoogsten tekorten zijn ontstaan. Voedselvoorziening en stabiliteit gaan hand in hand; misoogsten leiden tot opstanden, steeds weer. Vrijwel alle grote landen zijn agrarische economieën, waar kleine boeren in hun eigen voedsel voorzien en voor de nationale markt produceren; dat is op zich al een belangrijke bijdrage aan de stabiliteit van de samenleving. Zouden landen meer exporteren, zal dit ten koste gaan van de stabiliteit in de wereld. Voedselvoorziening is meer dan landbouw en economie.

Gert van Dijk: Spelregels
Coöperaties in ontwikkelingslanden en de geleerde lessen in tien punten.
Als eerste de definitie van de coöperatie. Een coöperatie is niet zomaar een vorm van samenwerking. Een coöperatie is altijd onderdeel van een value chain en is transactie georiënteerd, zowel in de interne als in de externe verhoudingen: coöpereren om zelfstandig te blijven en om de boel bij elkaar houden. Waar in de vennootschap kapitaal de basis is, is in de coöperatie de transactie de basis. Dit heeft verdergaande consequenties dan je op het eerste gezicht vermoedt. En daarna geldt dat inzet moet worden beloond en er winst moet worden gemaakt.
Het tweede punt is discipline. Men kan alleen coöpereren als een ieder zelf ook presteert én zich inzet voor het collectief. Leden die niet op vergaderingen verschijnen zonder vermelding van afwezigheid worden beboet. Met andere woorden: strakke discipline en ledenprestatie, straffen van freerider gedrag. Je kan alleen coöpereren als je zelf ook een
prestatie levert: reciprociteit ofwel het wederkerigheidsbeginsel maakt de kracht van coöperatie uit. Vertrouwen is belangrijk, maar oppassen voor vriendjespolitiek en pluchekleverigheid. Georganiseerd vertrouwen naast georganiseerd wantrouwen in de juiste balans.

Ten derde: een coöperatie werkt intern tegen kostprijs. Dit kan alleen maar als er een value chain én er markttoegang is. Zodra bijv. bloemen op de veiling komen krijgen die een prijs en weet je dus wat het totaal kost om die bloemen te kweken en op de markt af te leveren. Als er een eindproduct en een markt is, gaan alle principes op zijn plek vallen.
Dit geldt als vierde punt ook voor organisaties die zich toeleggen op microfinanciering en verzekeringen. Het heeft alleen zin als er een value chain is, er moet in elke stap in de keten toegevoegde waarde zijn; zonder die toegevoegde waarde wordt een lening de strop die je om je eigen nek hangt.
Ten vijfde geldt er voor Afrika in het bijzonder de ontworsteling aan cliëntelisme in het business model. In onze kapitalistische samenleving kunnen managers met financiële prikkels worden bijgestuurd. In ontwikkelingslanden is er vaak een vorm van cliëntelisme en vriendjespolitiek die moeilijk is te doorgronden en ook moeilijk is te veranderen. Wat beter werkt, is een andere democratische vormgeving te accepteren, en tegelijkertijd duidelijke grenzen te stellen door tijdige aflossing en betaling van rente.
Ten zesde is wetgeving in hoge mate bepalend voor de vormgeving van coöperaties. Dat coöperaties in Duitsland in omvang achterblijven ten opzichte van Nederland, heeft te maken met de verschillende wet- en regelgeving en met de desastreuze effecten van het verstrekken van subsidies en belastingvoordelen.
Een zevende punt is dat veel boeren farmers by default zijn â?? er is niets anders te doen om in het levensonderhoud te voorzien. Dit maakt hen echter nog geen agrarische ondernemers. Desastreus zijn dan de NGOs die langskomen en via subsidies meer voor de producten gaan betalen. Voor het coöperatieve model gaat het om ownership en dit kan alleen ontstaan als mensen zelf verantwoordelijk zijn voor goed bestuur en voor de uitkomsten ervan â?? â??pluche-klevenâ?? moet je voorkomen. De oplossing is hier ook een betere disciplinering: geen giften, maar terugbetaling.
Achtste punt is de lading van coöperaties. Er moet een goede verhouding zijn tussen collectieve en individuele ledenprestaties. Dit is niet altijd eenvoudig, maar om het model overeind te houden moet aan beiden voldaan worden. De coöperatie moet leveren, maar ook de leden moeten leveren.
Een negende punt is het functioneren van de overheid en de mate van dienstverlening. Succesvolle coöperaties volgen een strategie van export follows growth, naar een buitenlandse of een stedelijke markt. Maar coöperaties zijn in grote mate afhankelijk van de dienstverlening van de overheid op gebied van infrastructuur, logistiek en vergunningen. Het probleem is dat in veel ontwikkelingslanden meer dan voldoende kennis aanwezig is bij overheden, maar dat idee ontbreekt dat je als overheid ook diensten moet verlenen.
Tien: als laatste moet genoemd worden de slecht functionerende samenlevingen in ontwikkelingslanden. De samenleving hebben een democratisch tekort: zij is zo georganiseerd dat opbrengsten enkel bij de heersende klasse terecht komen. Producten gaan zonder bewerking, zonder toegevoegde waarde dus, het land uit. Daarom is het van belang dat boeren zelf een value chain creëren, dat zij de toegevoegde waarde kunnen incasseren en de opbrengsten ook weer investeren. Coöperaties zijn hiervoor een belangrijk middel.
Daarom komen coöperaties ook weer op in Nederland: je kunt je weer zaken als zorg en wonen toeëigenen.

Kees Blokland: In de praktijk
Agriterra is een organisatie die uitsluitend werkt met landbouworganisaties in ontwikkelingslanden en heeft hiertoe het mandaat van de in Nederland georganiseerde landbouworganisaties. Coöperaties worden ondersteund vanuit de gedachte dat sterke organisaties invloed hebben op de ontwikkeling van het land, de economie stimuleren, inkomens verdelen en het democratische gehalte van de samenleving als geheel doen toenemen. Agriterra heeft hiertoe twee middelen: inzet van kennis en geld (van het ministerie van Buitenlandse Zaken) om landbouworganisaties financieel te ondersteunen en kennis vanuit de Nederlandse sector in te brengen. Voor het laatste geldt dat experts voor een kort werkbezoek naar het ontwikkelingsland gaan om hun advies te verstrekken.
Belangrijk voor ontwikkelingslanden is het bevorderen van de overgang van een agrarische naar een moderne economie waarin industrie en diensten belangrijker zijn. Vaak ligt de focus op de stad, maar de nadruk moet erop liggen hoe industrie en diensten ook op het platteland worden ontwikkeld. Op het platteland zit de grote armoede en daar hebben de mensen werk nodig. Het probleem is niet zozeer de voedselvoorziening, maar werk en inkomen voor de mensen die op het platteland wonen. Er zijn 1,2 mld boeren op aarde, maar er is slechts een fractie van dat aantal nodig om in ons voedsel te voorzien. De productiviteit in de landbouw moet omhoog worden gebracht en dat zal onvermijdelijk ook gaan gebeuren. Er moet daarom meer worden gedaan dan alleen landbouw bedrijven. Er zijn dienstverlenende bedrijven nodig die dichtbij de boeren opereren. Dat is waarom er coöperaties worden opgericht in ontwikkelingslanden.
Hoe werkt het bevorderen van coöperaties in ontwikkelingssamenwerking? Agriterra zet geen coöperaties op, maar sluit aan bij bestaande landbouworganisaties. Deze organisaties moeten stem en steun geven aan boeren op het platteland en dienstverlenend zijn naar de leden. Coöperaties heten vaak niet zo in ontwikkelingslanden. Het zijn verenigingen die tegelijkertijd een bedrijf voeren. Via de ongeveer veertig bij Agriterra aangesloten landbouworganisaties worden ongeveer 8.000 groepen bereikt, waarvan een deel zich tot coöperatie ontwikkelt en gaat investeren. Coöperaties met een investeringsvraag begeleidt Agriterra ook en maakt ze bankable, dat wil zeggen rijp voor een normale relatie met de banken of investeerders. Agriterra organiseert ongeveer 400 werkbezoeken per jaar. De helft hiervan wordt ingevuld door mensen uit het coöperatieve bedrijfsleven en uit landbouworganisaties die 1 à 2 weken ter plekke advies verstrekken en een coöperatie op weg helpen. De sterkste economische ontwikkeling zal naar verwachting voortkomen uit investeringen in de georganiseerde landbouw.

Discussie
De plenaire discussie wordt gestart met de conclusie dat landbouwontwikkeling niet alleen voedselvoorziening tot doel heeft maar ook het leefbaar en levensvatbaar houden van het platteland. De plattelandsontwikkeling moet in goede banen worden geleid, anders komt er een te snelle exodus naar de grote steden zonder dat daar voldoende werkgelegenheid voorhanden is; plus een verwaarloosd en ontvolkt platteland. Door veel te investeren in de landbouw en aansluiting te zoeken bij bestaande boereninitiatieven zal ontwikkeling geleidelijker en duurzamer verlopen.
De schaalgrootte van veel boerengezinsbedrijven in ontwikkelingslanden is een probleem; velen zijn te klein om een kans te maken als ondernemer op de markt. Dat is een gegeven, waarmee je dus maar beter rekening kunt houden als je intervenieert. Bovendien zijn velen boer omdat ze niets anders te doen hebben. Belangrijk is om, alvorens met boeren aan de slag te gaan, te bezien of het boerenondernemers zijn en of er een ambitie te bestaat tot ontwikkeling. Geloven de mensen er zelf in? Indien dat het geval is, kan hierop worden aangesloten en worden ondersteund.
Bij het ondersteunen van coöperaties moet voor alles gekeken worden naar de eigen dynamiek, de eigen ontwikkeling, zodat op cruciale momenten kritische factoren zoals discipline en leiderschap aan de orde kunnen worden gesteld. Schakel 1 is altijd de boer, het boerengezinsbedrijf.
Dat boerengezinsbedrijf is ook altijd een gezin en als zodanig een consument van voedsel; belangrijk om ook rekening mee te houden: de eigen voedselvoorziening van de eigen gezinnen.

In ieder geval moet een coöperatie in staat zijn om efficiënt en concurrerend te zijn, en een goede prijs bieden. Hier zit niet veel rek in, ook niet bij kredietverlening. Groot verschil met vroeger is dat tegenwoordig een stevige investering nodig is om een bedrijf te kunnen starten (gemiddeld $3-4 mln). Dan krijg je vaak andere modellen, combinatiemodellen. De coöperatie wordt wel als middel gebruikt voor gezamenlijke inkoop, technische assistentie en om de transactiekosten te verlagen, maar er is gauw een SME die aan verwerking doet.
Een andere kanttekening die geplaatst wordt, is dat het niet zinvol is om vanuit Nederland een organisatie elders op te zetten. Eerst kijken hoe mensen georganiseerd zijn en van daaruit verder kijken. En niet alle boeren willen hetzelfde. Belangrijk is om toe te werken naar een of andere modaliteit van een farmers led company.
De kans op succes van een coöperatie neemt toe als er al meerdere organisaties aanwezig zijn en meerdere verenigingen waar men lid van is. De ervaring met collectieve actie is een enorme asset ook al gaat het niet steeds om economische verbanden. Sluit zoveel mogelijk aan bij bestaande verbanden en zet vooral niet zomaar een nieuw verband ernaast. Belangrijk ook de opmerking van Duijzer: verschillende organisaties kunnen elkaar stutten. Zo kan er voldoende vertrouwen ontstaan om te komen tot een succesvolle producentenvereniging.
Wat is de betekenis van de Gouden Vierhoek hierbij? Kan de Gouden Vierhoek hier een versterkende rol spelen om te komen tot sterke coöperaties? De benadering van een NGO als Cordaid is het bij elkaar brengen en faciliteren van diverse partijen, waaronder de overheid, dikwijls de decentrale overheid, het lokale bedrijfsleven en Nederlandse bedrijven. Dat lijkt een geschikte manier om ontwikkelingen verder te brengen.
Belangrijk is te beseffen dat historisch gezien het unieke landbouwmodel in Nederland niet door de overheid is tot stand gekomen. De keuringsdiensten zijn privaat begonnen, evenals landbouwscholen en banken. Later is veel door de overheid overgenomen. Nu hebben we te maken met een terugtrekkende overheid en zijn de mensen genoodzaakt zelf weer initiatieven te ontplooien en vaak doen ze dat in verbanden met een coöperatief karakter. Zie de bloei van broodfondsen, energiecoöperaties. In deze zin is er een communicerende-vaten-werking tussen een deficiënte of terugtrekkende overheid enerzijds en de bloei van eigen coöperatieve initiatieven van mensen anderzijds.
Wetgeving kan belemmerend werken, waardoor beginnende bedrijven niet tot ontwikkeling komen. Veel overheden zijn niet geïnteresseerd in coöperaties. Dit is een groot probleem. Hier heeft de Nederlandse overheid ook een belangrijke rol te spelen in haar relaties met andere overheden.
Overheden zijn in veel landen dominant, maar wat landbouw betreft zijn overheden totaal afwezig en daarom ontbreekt het aan kennisinfrastructuur en landbouwvoorlichting. Het is goed de dialoog daarover te voeren van overheid tot overheid.
De kanttekening wordt geplaatst dat in de dialoog met de partnerlanden de doelstellingen van interventies scherper moeten worden geformuleerd en het instrumentarium bij de doeleinden moeten passen. Anderzijds is het ook zó dat bijvoorbeeld het stimuleren van landbouw- en plattelandsontwikkeling veel onbedoelde maar positieve effecten heeft op de ontwikkeling van het lokale midden- en kleinbedrijf en op de institutionele infrastructuur; effecten die op de langere termijn misschien zelfs duurzamer en gewichtiger zijn dan de bedoelde effecten bij het opzetten van de interventie.

Jeroen Roodenburg, ambassadeur Bedrijfsleven & Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken sluit de sessie af met een aantal concluderende opmerkingen. Op basis van de inbrengen gelden voor een goede coöperatie de volgende kernwoorden: vertrouwen, discipline, transactiegericht, ownership, wetgeving en leiderschap, enabling environment. De Nederlandse geschiedenis laat zien waartoe dit heeft geleid en in welke behoefte is voorzien. De vraag voor het ministerie is de vertaling naar een zinvolle interventie in ontwikkelingslanden. Het ministerie zet meer in op de productieve sectoren en minister Ploumen handhaaft het speerpunt voedselzekerheid.
Het aansluiten bij bestaande initiatieven van boerengezinsbedrijven is essentieel. De regie moet niet van buiten komen. De Nederlandse overheid kijkt per land naar het ondernemersklimaat: wat zijn de belemmerende factoren om toegevoegde waarde te creëren en wat kan de overheid hierbij betekenen. Het ministerie kijkt naar de keten en schaalt op daar waar dit mogelijk is. Zie het voorbeeld van IDH, maar ook Rabobank is daarmee bezig.
In de binnenkort te verschijnen nota van minister Ploumen over hulp en handel wordt het nieuwe Revolverende Fonds vermeld, maar er is nog geen uitgewerkt voorstel te verwachten. Dit zal in de loop van het jaar vorm krijgen, waarvoor mede input van de aanwezigen hier gevraagd is. Het moet nadrukkelijk gaan om nieuwe initiatieven, de missing investments.

            
foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen