foodFIRST for Thought

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo

© 2013-03-26 | Femmy Bakker-de Jong

Op deze Vijverbergsessie staan De Lessen van Venlo centraal, de oogst van de FoodFirst-Floriade Conferenties die in 2012 werden gehouden. Die conferenties hebben een schat aan informatie, inzichten en beleidsperspectieven opgeleverd. Op deze Vijverbergsessie zijn drie punten uitgelicht en voorgelegd ter bespreking. Dit met oog op het formuleren van aanbevelingen waarmee deelnemers in hun praktijk verder kunnen â?? politiek, bestuurlijk, academisch, in hun bedrijf of hun maatschappelijke organisatie. En is tevens bedoeld om richting te geven aan de vervolgactiviteiten van FoodFirst zelf.

De drie punten die centraal staan, zijn:
1. Is het Cali-model inderdaad richtinggevend, en zo ja, hoe kan het worden geoperationaliseerd in beleid?
2. De Gouden Vierhoek is een samenwerkingsmodel voor actoren hier, maar ook een samenwerkings-en samenlevingsmodel voor duurzame voedselzekerheid dáár; hoe kan dit worden geoperationaliseerd in beleid?
3. Hoe houden we het thema Voedselzekerheid hoog op de agenda van Internationale Samenwerking in de Gouden Vierhoek, nu en in de komende jaren?

Jos van Gennip opent de Vijverbergsessie en verwelkomt de deelnemers die namens de vier sectoren overheid, bedrijfsleven, maatschappelijk middenveld en wetenschap aanwezig zijn. Van Gennip dankt de Rabobank voor de gastvrije ontvangst op de Vijverberg, waar deze sessie en komende sessies gehouden worden en voor de inhoudelijke betrokkenheid van de bank bij dit onderwerp. Het is de FoodFirstcoalitie niet te doen geweest om conferenties als zodanig te organiseren, maar om een brug te slaan tussen ervaring en kennis, de wetenschap, reflectie en het beleid. Dit ligt in het verlengde van de afspraak met het NCDO gemaakt in februari vorig jaar dat ontwikkelingssamenwerking een handelingsperspectief nodig heeft. En vanwege het op de politieke en maatschappelijk agenda houden van de themaâ??s voedselzekerheid en landbouw.
Dankzij FoodFirstcoalitie zijn in 2012 zeven conferenties gehouden, waaraan bijdragen zijn geleverd uit verschillende invalshoeken vanuit binnen en buitenland. Op de website van FoodFirst zijn die terug te vinden. Daarnaast heeft Vice Versa een special over dit thema uitgebracht, waaraan velen van de aanwezigen hebben meegewerkt. Uit de bijdragen komen twee aspecten naar voren: de rol van kleine boeren is onmisbaar en de noodzaak van de Gouden Vierhoek van wetenschap, maatschappelijk middenveld, bedrijfsleven en overheid, vooral daarginds.
Wat opvalt uit de bijdragen is de trek naar de stad van jongeren die niet meer op het platteland willen wonen en werken. De ontvolking van het platteland ontstaat omdat er een grotere kans is op productieve werkgelegenheid. De toenemende urbanisatie doet de vraag naar voedsel toenemen, terwijl op het platteland de productie capaciteit afneemt. De sessie van vandaag beoogt vanuit de inhoud inzichten te delen, om stil te staan bij de kern van de Lessen van Venlo, wat in de toekomst gerealiseerd moet worden aan doelstellingen en of daar een coalitie als deze voor nodig is.
Doeke Faber neemt vanaf 2013 het voorzitterschap van FoodFirst over van Van Gennip.

Dagvoorzitter Frans van den Boom, directeur NCDO vervolgt met het toelichten dat voedselzekerheid een belangrijk thema is voor NCDO. Investeren in landbouw kwam indirect op de agenda te staan, mede door de Millennium Doelstellingen. De Round Table on WorldConnectors heeft daar verandering in gebracht. Die lijn werd doorgezet door o.a. in de Globaliseringsreeks aandacht te besteden aan het voedselvraagstuk, vervolgens met de Battle of the Cheetahs, een competitie van NCDO voor innovatieve oplossingen voor wereldvoedselproblemen met accent op Nederlands burgerschap, doorgezet naar de FoodGuerilla. Het doel is om verbinding te leggen tussen het internationaal vraagstuk en wat burgers in Nederland op dit terrein kunnen betekenen. Beleidsontwikkeling is belangrijk, maar ook handelingsperspectief.
NCDO heeft een peiling uitgevoerd naar vier wereldwijde problemen en oplossingen. Een van die problemen is voedsel. 40 procent van de Nederlanders volgt het nieuws over voedsel en prijsontwikkelingen vaak â?? tot altijd. Het merendeel van de Nederlanders realiseert zich dat voedselvraagstuk een internationaal vraagstuk is en maakt zich zorgen over toegang. De meerderheid zegt dat de overheid het moet oplossen, als tweede de VN, of EU, derde de producenten en als 4e de consument. De wetenschap wordt niet genoemd. Van den Boom is van mening dat de wetenschap zich moet laten gelden in het debat en benadrukken dat zij een belangrijke rol kan spelen. De consument cijfert zichzelf weg, 65% zegt â??ik weet best wel dat ik mijn levensstijl moet aanpassenâ??, 40 % weet niet of hij/zij zelf wel wil inleveren. Dit maakt de opdracht van NCDO er niet makkelijker op. Een ieder moet zijn bijdrage leveren.
Voor NCDO is voedsel een prioriteit. Om complexe vraagstukken zoals de Global Public Goods onder de aandacht te brengen van de Nederlandse bevolking, moeten we beginnen met zaken die dichtbij staan en waarbij men zich het nut kan voorstellen, zoals toegang tot water, eten, gebruik van energie en gezondheidszorg , huisvesting. Het programma van deze sessie bestaat uit drie blokken: het eerste blok gaat over de inhoud, â??is het Cali-model richtinggevend en onder welke voorwaarde?â?? Het tweede betreft de modaliteiten, â??de Gouden Vierhoekâ??. Van Boom stelt voor om van de vierhoek een vijfhoek te maken door ook de consument toe te voegen. Het derde blok bespreekt hoe dit thema op de â??politiekeâ?? agenda te houden en welke coalities daarvoor nodig zijn.

Doeke Faber, voorzitter van FoodFirst, introduceert het eerste blok. Hij verwijst naar de publicatie van de zeven FoodFirst conferenties over coöperaties, duurzame voedselproductie, stadslandbouw en investeren in voedselproductie en volwaardige voeding. De Vierhoek is hierbij van belang, maar uiteindelijk moeten de kleine en grote boeren het zelf doen. De spreker Rodrigues op de FoodFirst conferentie heeft het zogenaamde Cali-model toegelicht, waarbij vanuit een NGO 2.000 kleine boeren zijn klaargestoomd om voor de markt in Cali, Colombia te produceren. Dagelijks worden verse groenen, fruit en zuivelproducten geleverd aan de markt. Daarmee wordt niet alleen de voedselvoorziening in Cali op een hoger niveau gebracht, maar de boeren genereren daarmee ook een eigen inkomen. Is het Cali-model toepasbaar voor Afrika? M.a.w. moeten we inzetten op kleine boeren, op efficiënte voedselproductie voor de urbane markt, het stimuleren van familiebedrijven om ook steden te voorzien van voedsel en boeren te ontwikkelen tot ondernemers? Sommigen zijn van mening dat kleine boeren een succesverhaal maken van urban agriculture, anderen menen dat alleen grootschalige landbouw steden van voedsel kunnen voorzien. De waarheid ligt in het midden. Bij het grootschaliger maken van kleine boerengezinnen moet rekening worden gehouden met de betekenis voor de cultuur, van peasant naar commerciële boer. En tot slot de vraag of kleine boeren commerciële producenten kunnen worden die ook exporteren?

In de plenaire discussie komt naar voren dat er al veel kennis is en veel research is gedaan. De vraag blijft hoe de voedselproductie te vergroten in Afrika. Wat zijn de huidige bottlenecks, waarom gaat het niet sneller? Er moet geïnvesteerd worden in de ontwikkeling van het platteland om te voorkomen dan men naar de stad trekt. Mensen moeten toegang hebben tot onderwijs en ter plekke kunnen floreren. Eerst produceren voor de lokale markt, eventueel daarna voor de stad. Boeren moeten eerste in hun eigen behoefte voorzien en die van de eigen regio. De indruk moet niet gewekt worden dat voedselzekerheid iets is van grote steden. Boeren die voedsel produceren, produceren niet voldoende voor hun eigen dorp en regio. Het is niet realistisch te denken dat zij met hun productie de urbane voedsel problemen kunnen oplossen, maar ze kunnen wel een voorname bijdrage leveren.
Boeren moeten ondernemer worden. De meeste smallholder farmers vertonen niet de kenmerken van een ondernemer, maar produceren enkel voor de eigen familie en zijn daardoor erg kwetsbaar als het mis gaat. De naar schatting 1 procent van de boeren die wel ondernemersbloed hebben, moeten worden gesteund in hun ambitie als ondernemende boer. De rest kan werken bij deze boeren ofwel moet alternatieve inkomstenbronnen zoeken. Het inzetten op landbouwonderwijs is vanuit dit oogpunt dan ook betrekkelijk; het gaat juist om uitstoten uit de landbouw en dus investeren in alternatieve opleidingen. Dergelijke grootschalige agrohubs zijn noodzakelijk, zo is het Westlandmodel ook ontstaan. Men is begonnen met kleine tuinders, die zijn verder uitgerold en de kleinere niet rendabele tuinders zijn er uitgestapt. Het Westland is nu het toonbeeld van een agrohub. Met een dergelijk concept kan eerst geproduceerd worden voor de eigen regio, dan voor steden en dan pas voor de export. Professionalisering en schaalvergroting gaan hand in hand.
Voor wat betreft voedselproductie voor de stad moet er eerst koopkrachtige vraag zijn. In steden waar meer inkomen te besteden is, bestaat er vraag naar voedsel en daarmee ontstaat investeringsvraag. In dit gat kunnen boeren stappen en worden begeleid, waarbij de overheid sturend moet optreden. Dit proces kan pas plaatsvinden als door overheden verbindingen zijn gemaakt (infrastructuur e.d.). Kosten die individuen niet kunnen dragen. Overheden moet zien dat het in hun belang is de productie in eigen land te stimuleren i.p.v. producten te importeren.
Lokale overheden spelen een cruciale rol om te faciliteren en een klimaat te ontwikkelen om de boeren in staat te stellen grootschaliger te produceren. De vraag vanuit de consument is daarbij tevens van belang. De boeren moeten vertrouwen hebben in hun capaciteit om meer te kunnen produceren. Nederland kan hierbij een stimulerende rol spelen. Hiervoor is kennis en kunde nodig om boeren, die willen, in staat te kunnen stellen. Het voorbeeld van cassaveteelt in Nigeria, waar brood van cassave wordt gebakken, laat zien dat als de overheid het belangrijk vindt en de juiste voorwaarden creëert, er een markt voor is. Er moet dan ook een koppeling worden gemaakt tussen boer en markt door een faciliterende overheid.

Faber geeft een toelichting op het tweede blok van de sessie, â??de Gouden Vierhoekâ?? als samenwerkingsmodel. Er is jarenlang gefinancierd en gestimuleerd vanuit Nederland in ontwikkelingslanden. We zijn er inmiddels achter gekomen dat ook daar een Gouden Vierhoek nodig is. De vraag is hoe we vanuit NL er voor kunnen zorgen dat dáár een stevige, sterke vierhoek wordt gecreëerd die die rol overneemt? Wat voor beleid moeten we hier voeren opdat daar de Gouden Vierhoek gaat floreren.

Als eerste in de plenaire discussie wordt opgemerkt dat van de vierhoek geen vijfhoek moeten worden gemaakt door de consument als vijfde hoek toe te voegen, zoals eerder werd gesuggereerd. De vierhoek is krachtig als zodanig en alles wat daarbinnen zit is de consument. De consument als centraal punt. Wat te doen? Laten zien dat de Gouden Vierhoek werkt, vermarkten, uitdragen. Er zijn niet veel landen die werken vanuit dit model. De Nederlandse overheid kan voorbeeld rol nemen.
Iets anders is dat de overheden statistische gegevens moeten bijhouden. Gegevens zijn nodig, per land, per regio. Het LEI kan bijvoorbeeld statistische diensten daar ondersteunen.
Ook wordt opgemerkt dat er al veel gebeurt. Zo versterkt de Nederlandse overheid middels het vakbondsmedefinancieringsprogramma de vakbonden in ontwikkelingslanden, met name Latijns-Amerika.
De vierhoek functioneert. Zo brengt Agriterra LTO-structuren naar OS-landen, Agriprofocus brengt spelers bij elkaar, inclusief kennisinstellingen en bedrijven. Er zijn al wel aanhakingspunten, er wordt samengewerkt, hetgeen de komende jaren moet versterken en toenemen. Als Nederlandse partijen hier elkaar vinden, zullen ze elkaar ook ginds gemakkelijker vinden en samenwerken.
Er kan gewerkt worden vanuit een menubenadering, namelijk zoeken naar optimale partnerschappen. Elke actor doet datgene waar het goed in is en toegevoegde waarde heeft. Dit hoeft niet altijd een gouden vierhoek te zijn. Het gaat hierbij niet om het overbrengen van modellen van hier naar daar, maar meer om het faciliteren van een aantal hoeken, vanuit de behoefte van het land. Voor wat betreft NGOs; die moeten vanuit Nederland faciliteren, de lokale NGOs doen het vervolgens zelf.
De nuance wordt gemaakt dat de Gouden Vierhoek een westers concept is en dat het anders uitwerkt in Afrika. Het model is een resultante van 400 jaren stabiliteit, gebaseerd op vertrouwen. In Afrika leeft men van dag tot dag. Daarom moet goed onderzocht worden wat wel werkt en wat niet. We moeten investeren in capacity en institution building en vertrouwen. Het gaat erom in de regio zelf het probleemoplossend vermogen te versterken.
We zijn naïef geweest over het organisatievermogen van Afrikaanse boeren. Het onderzoek naar de investeringen in opbouw van coöperaties in ontwikkelingslanden heeft geen succesverhaal aangetoond. Er is door de overheid en maatschappelijke organisaties veel tijd en middelen besteed aan projecten om mensen te organiseren die niet georganiseerd willen zijn. Te maken met een andere traditie.
Het beeld daarbij van NGOs daarbij verschilt dikwijls met de praktijk. Zo werken Angelsaksische NGOs doorgaans door het overnemen van de regio om die in ontwikkeling te brengen. De Continentale NGOs werken via lokale partners waarbij aldaar de ownership ligt. De DSM investeringen in Jakarta zijn daarvan een goed voorbeeld, waarbij de dialoog met lokale bevolking is aangegaan en men kennis verkreeg van cultuurgebonden consumptiepatronen. Om die reden moeten investeringsbeslissingen voorafgaan aan een intensieve dialoog met de lokale bevolking.
Faber werpt de vraag op of we nu met de Vierhoek goud in handen hebben? Kun je een van de links eruit snijden, of zijn alle vier hoeken nodig? In reactie hierop wordt gesteld dat alle vier partijen nodig zijn, waarbij het gaat om evenwicht en vanuit de vraag gestuurd. Inzicht in culturele en historische achtergrond is essentieel. Er is niet altijd evenwichtige aandacht geweest, zo heeft het MKB te weinig aandacht gekregen. Als het MKB in capacity building wordt ondersteund, komen kennisinstellingen vanzelf met kennis en overheid met infrastructuur. Daar waar energie zit, moet ondersteund worden. We moeten goed kijken welke doelgroep we steunen, om effectief te zijn. Er vanuit gaande dat de overheid benevolent is. Maar dikwijls is dit niet het geval, zoals in Afrika. Landen waar overheden niet de instituten ondersteunen, moet om die overheid heen worden georganiseerd. Second best situatie. Andersoortig model is dan nodig.

Het derde en laatste blok wordt door Faber ingeleid met het feit dat voedselzekerheid een urgent thema is en een bedreiging kan vormen voor de wereldvrede. Daarnaast is voedselzekerheid een beleidsniche voor Nederland. De Nederlandse kennis en ervaringen vanuit de overheid, bedrijfsleven, Wageningen, civil society worden internationaal erkend. En inzet op voedselzekerheid is ook van belang voor draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Kortom, hoe houden we voedselzekerheid hier en daar op de agenda?

De reactie hierop is dat voedselzekerheid hoog op de agenda stond én staat van het ministerie van Economische Zaken. Inzake het ministerie van Buitenlandse Zaken zal dit thema op agenda blijven staan, zie ook het Regeerakkoord hierover. Of met de bezuinigingen van 20 procent op de uitgaven van ontwikkelingssamenwerking dit thema buiten schot blijft, is niet zeker. Echter, zowel het thema als verschillende instrumenten, lijken overeind te blijven.
Vanuit de overheid ligt de zware taak om te laten zien dat de investeringen doelmatig zijn, met een voldoende return on investment. Er moet worden aangetoond dat de investeringen bijdragen aan een sterker Nederland, in plaats van slechts een kostenpost. Het moet gaan om zinvolle projecten. Mensen moeten dit weten. Dit moet worden uitgedragen. Het bedrijfsleven speelt daarbij ook een belangrijke rol en moet aan goede marketing doen. Alle betrokken zijn ambassadeurs en moeten naar buiten gaan om hierover te spreken. Hier moet soepeler mee worden omgaan en daarbij mag best enig risicoâ?? worden genomen. Goede programmaâ??s hebben, goed verkopen. De gemiddelde Nederlandse burger weet het niet.
Maar er zijn ook programmaâ??s waarvan de kosten hoger zijn dan de baten. Niet alles is een succesverhaal. Er wordt veel uitgerold, niet altijd met succes. Het verhaal moet verteld worden, maar het moet ook goed onderbouwd zijn. Daarnaast moeten we gebruik maken van het feit dat voedsel ons na aan het hart ligt en ons allen aan gaat. De Nederlandse bevolking moeten we serieus betrekken, voorlichten en inschakelen, ook als consument.
Return on investment is een belangrijk uitgangspunt voor het bedrijfsleven en als instrument voor draagvlak voor investeringen door de overheid. Het taboe op registreren ervan doorbreken, meer openbaren, ook met oog op duurzaamheid.
Voedsel moeten we als Public Good zien. De Nederlandse bevolking begrijpt niet wat Public Goods zijn en waarom het positief is om daaraan bij te dragen.

Van Gennip sluit de plenaire discussie af met een aantal conclusies. Onder de aanwezigen bestaat de consensus dat het belangrijk is deze prioriteit van voedselzekerheid overeind te houden. De vraag is hoe: er moet veel gebeuren. Bij het derde blok te beginnen: alle partijen van de vierhoek hebben een verantwoordelijkheid naar de Nederlandse samenleving om het belang van voedselzekerheid duidelijk te maken. Niets is overtuigender dan dat een CEO van een groot bedrijf zegt dat deze investering van de overheid rendabel is. Als coalitie kan een agenda hierop worden afgesproken.
Voor wat betreft het tweede blok over de Gouden Vierhoek is gebleken dat in bepaalde omstandigheden niet alle partijen nodig zijn (wisselende combinaties) en dat een menubenadering volstaat. Er bestaan reeds veel initiatieven in Nederland waar een ieder baat bij kan hebben. De vraag is hoe het MKB daarginds te versterken. Dikwijls vanuit het besef dat er geen benevolente overheid aldaar is. Als de vierhoek ginds functioneert, is externe hulp niet meer nodig. Die agenda moet verder worden uitgewerkt.
Ten slot het eerste blok. Er bestaat consensus over het verder stimuleren en ontwikkelen van kleine boeren en hen niet te vervangen door grootschalige boerenbedrijven; ook dienen we in te zetten op de ketenbenadering.
Rest de vraag aan de aanwezigen, na de investering van de FoodFirstFloriade bijeenkomsten, of en hoe dit onderwerp de komende periode vorm te geven. Ideeën hierover zijn welkom. Er komen een aantal vervolgsessies die kunnen resulteren in beleidsadviezen, onder andere over voedsel, cultuur en religie, coöperaties, water en landbouw en Latijns-Amerika. Informatie hierover volgt.

            
foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen