foodFIRST for Thought

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa

© 2015-12-22 | Hans Groen

Napraten over wat we op de conferentie “The Future of Farming and Food security in Africa" op 22 juni gehoord en ervaren hebben. Afrikaanse collega’s gaven aan dat de landbouwsector meer in beweging moet komen, het is een verouderende sector, jongeren zien te weinig toekomst in de sector; men zou het op prijs stellen als een grote donor als Nederland enthousiast mee gaat denken over de richting en toekomst van de landbouw.

In Afrika kan je drie lijnen zich zien aftekenen in het landbouwbeleid: (1) de landbouwsector moet zich gaan hervormen, in dat proces doet niet iedereen gelijk mee, en er zijn boeren die daarin het voortouw willen nemen. (2) Wat betreft de boeren die daarin niet meegaan, zien we dat vergroting van productiviteit ook de uitstoot van boeren naar andere sectoren in de economie tot gevolg heeft. Armoede bestrijding heeft zich vooral op die groep gericht. Wat moeten we met die groep doen? (3) Dan zijn er de grote ondernemingen die zelf bepalen wat ze doen.

Inleiding Cor van Beuningen
In zijn presentatie op het congres van 22 juni (www.foodfirst.eu/20150622) zei Ishmael Sunga onverbloemd tegen ons: als jullie naar Afrika komen, hebben jullie allemaal een beeld in je hoofd van plattelandsontwikkeling, voedselzekerheid, armoedebestrijding, etc., met de bijbehorende interventies, instrumenten, en doelgroepen voor je beleid. Maar gebruik nou eens een ander beeld voor Afrika: “The future is for young, well educated, market oriented and organized farmer-entrepreneurs.” Het gaat dus niet om het beeld van armoedebestrijding of rurale ontwikkeling. Het beeld dat je moet hebben, is dat van jonge, ambitieuze boeren die de heel grote kans die er aan komt zelf gaan benutten, en die niet aan iemand anders overlaten. Die kans is de groei van de urbane markt, door toename van de bevolking en door welvaartsstijging. Die groei is een enorme kans voor producenten en leveranciers, en als we niets doen, wordt die door buitenlandse import of door grootschalige landbouw en plantages weggekaapt. Je moet díe jonge boeren ondersteunen, zodat zij die kans kunnen benutten.
Dat inzicht zingt al lang rond: Ton Dietz en Lia van Wesenbeeck hebben dat ook in het kader van foodFIRST gepresenteerd. Maar de urgentie waarmee Ishmael Sunga het neerzette, is belangrijk. Het spiegelt een zelfbewustzijn dat je ook zag in de presentaties van Cynthia Makena en anderen.
De ontwikkeling van jonge boeren-entrepreneurs moet centraal zijn voor je beleid. Je moet dan ook keuzes maken, want de ene boer is de andere niet. Hoe die selectie tot stand komt? Mensen zullen zichzelf aandienen of op een andere manier in het vizier komen. Je weet ook dat veel mensen van het platteland zullen vertrekken omdat er geen emplooi meer is. Dat betekent dat we onze instrumenten veel specifieker moeten maken, specifiek gericht op die groep die die steun nodig heeft, de jonge boer-ondernemer.
Wat er nog meer moet gebeuren, dat weten we intussen ook, is dat als die jonge boeren met succes op de markt willen komen, ze zich zullen moeten aaneensluiten en organiseren. En wat nieuw is: ze moeten het voortouw nemen in PPP’s en zelf met de voorstellen komen, weten wat ze willen, en niet aansluiten bij wat door anderen bedacht en opgezet is.
Bedrijfsopvolging is in dit verband een actueel probleem, blijkt uit een enquête onder boeren, in hun beleving zelfs belangrijker dan financiering of kunstmest. De Rabobank overigens pikt dit door de boeren zelf aangedragen probleem op.
Een en ander betekent dat opleidingen de boer niet alleen agrarische vaardigheden moet aanleren, maar ook ondernemersvaardigheden aanleren. Zo ontstaan een ander beleidsparadigma en andere instructies voor de interventies die we willen plegen in de landbouw in Afrika.

Stineke Oenema
Als reactie een paar punten die mij opvallen.
1 – Gaan we een níeuw paradigma omarmen? Is het voorgestelde paradigma niet dat van het marktdenken? Dat wórdt al een tijd omarmt in ons denken, nieuw is het niet. Er zijn impliciete keuzes gemaakt in het beleid zoals we dat kennen – kijk naar het soort onderzoek dat wordt gedaan, aan de ondersteuning die we aan bepaalde groepen geven. Dat zien we minder in beleid.
2 – “The future is for young, well educated, market oriented and organized farmer-entrepreneurs.” Dat is mooi gesteld maar je moet daar een ‘enabling environment’ aan toevoegen. Het is niet zo dat het wel goed komt als je je richt op de jonge, dynamische boeren en boerinnen. De ‘enabling environment’ is heel erg belangrijk: wat zijn de beperkende factoren voor die jonge ondernemers, waardoor ontstaat marktfalen, etc. Daarop moet je je richten om van die jonge boeren succesvolle ondernemers te maken.
3 – In een aantal document van Agri-ProFocus is de term ‘market for the poor’ neergezet: een marktsysteem dat effectiever en beter werkt voor arme mensen en arme boeren. Je moet kijken naar de verschillende functies van markten en naar de verschillende spelers – publiek privaat, formeel, informeel. Hoe kunnen we er voor zorgen dat via de functies van de markt en de spelers op de markt op grootschalige veranderingen worden doorgevoerd. Daar ligt een rol voor de overheid, en dat hoort ook bij die 'enabling envrionment'.
4 – Het veranderende gezicht van de landbouw: landbouw is niet voor dummies en het is ook niet iets dat je bij gebrek aan beter doet. Mensen moeten bewust voor landbouw kiezen, of niet. Wat is daarvoor nodig, welk onderwijs heb je daarvoor nodig? Door veranderende vraag en de groeiende steden ontstaan markten voor producten met voedingswaarde, vers fruit, voedsel met kwaliteit. Dat vraagt ook ondersteuning door onderwijs en onderzoek. Onderzoek wordt nu gedaan naar de grote bulkgewassen, tarwe, rijst, mais, soja. Dat moet veel diverser worden. We willen dat deze mensen succesvol worden zodat er welzijn is. Naast onderzoek gaat het dan ook om onderwijs; zorg dat je breed en goed onderwijs geeft.
Als we ons richten op jonge succesvolle ondernemers, hoe weten we dat die mensen succesvol zijn. Hoe meet je dat, hoe en wanneer selecteer je ze, werkt er een marktmechanisme?
5 – Laat de boeren/-innen niet de laatste schakel zijn: Het marktdenken suggereert een gelijk speelveld, maar dat bestaat vaak niet. Hoe zorg je dat in markten, PPP’s en onderneming er wel een gelijk(er) speelveld ontstaat, zodat mensen met succes een onderneming kunnen starten. Wees niet naïef, de belangen van de gevestigde spelers zijn heel groot, en die worden niet makkelijk losgelaten ten behoeve van nieuwe succesvolle ondernemingen. Hoe zorg je dat tegenover de macht van supermarkten en mcdonald’s potentieel succesvolle ondernemers een kans krijgen en houden?

Gesprek

Paradigmashift
Is die wending naar de jonge, veelbelovende boer-entrepreneur een nieuw paradigma, een vervanging van het paradigma van ontwikkeling en armoede bestrijding te vervangen, of is het een versterking van die ontwikkeling? De focus op de ondernemende boer is misschien nu selectief, maar heeft uiteindelijk tot doel het geheel te dienen – het begint exclusief, maar het eindigt inclusief.
Het paradigma is gericht op de potentieel succesvolle jonge boeren. Daarmee zijn andere zaken als opvolging, landgebruik en eigendom, helemaal niet van tafel. Het nieuwe paradigma is daarom meer te interpreteren als een accentverschuiving.
Dus wat er gebeurt is zoiets als: wat een paradigma wisseling lijkt, is in feite het doorwerken aan het al gestelde doel van armoedebestrijding. Het gaat er niet om dat we armoede bestrijding niet meer doen, maar het koppelen, met die jonge boeren. Je bent niet met de armste der armen direct bezig, dus je moet het verhaal eromheen vertellen, anders wordt je op de verkeerde zaken afgerekend.
Wat Shunga dus zegt is eerder: dit is de beste manier om armoede te bestrijden. Je moet niet iedereen als ‘arm’ definiëren, want dan scheer je iedereen over een kam en kan je ook maar één methode in je gereedschapskist stoppen. Een vitale landbouwsector kan je niet opzetten onder het kopje ‘armoede bestrijding’, je hebt een economische impuls nodig.

Rolmodellen
Die jonge dynamische ondernemers moeten van onderop komen; met programma’s en kaders kan je hen oproepen en uitnodigen. Niet te veel criteria van bovenaf, maar sluit aan bij de perceptie van die ondernemers: wie zijn hun voorbeelden en voortrekkers. Uit onderzoek naar ondernemerschap blijkt dat het hebben van een rolmodel in je omgeving heel belangrijk is. Als je dat niet hebt, is het heel moeilijk mensen te stimuleren. Je ziet altijd dat kinderen hun vader en moeder opvolgen, dat vak leer je niet als je niet met die rolmodellen opgroeit.
Wat betekent het voor je beleid als je het belang van rolmodellen erkent? Als je als bankier niet te vel risico wilt lopen als iemand om financiering vraagt, dan vraag je wat diens vader of moeder deed. Als iemand niet een achtergrond heeft in bijvoorbeeld het boerenbedrijf, is de weg naar succes langer en moeilijker. Ook mensen die in hun jeugd ondernemend zijn geweest, doen het beter; die weten uit ervaring dat iets ook wel eens niet lukt.
In de Afrikaanse situatie moet je echter anders selecteren, want bijna iedereen heeft vaders en moeders die boer zijn. De kunst is dan juist díe mensen te vinden die de moed hebben het anders te willen doen dan hun ouders.
Het imago van het vak speelt ook een rol. Jarenlang werd jongeren geadviseerd om bij de overheid of grote bedrijven te gaan werken, maar nu is dat tij weer gekeerd, er is ruim baan voor ondernemerschap. Maar wat doe je in een omgeving waarin boer-zijn geen prestige heeft? Het platteland loopt leeg omdat boeren hun kinderen naar de stad en de universiteit sturen – wordt vooral geen boer, lijkt de boodschap. Hoe krijg je dan toch rolmodellen?
Je ziet nu veel ‘emergent farmers’, een middenklasse van kleinere boeren met de potentie om door te groeien. Voor hun succes is de rol van de ‘enabling environment’ niet te overschatten. Jonge ambitieuze mensen gaan zich dan op de landbouw richten, in plaats van andere beroepen te kiezen.
Interessant is ook dat je dus op bepaalde plekken meerdere modellen tegelijk ziet: ondernemende boeren en grote bedrijven. E ndan toch: een groot bedrijf, 35.000 ha, dat wel tegen een heel groot stootje lijkt te kunnen, blijkt te wankelen na twee jaar droogte en een gedaalde lokale munt – het bedrijf heeft veelal lokale afzet en importeert in USD. Er is veel nodig in die ‘enabling environment’: het weer moet meewerken, een stabiel macro-economische beleid, etc. Het zijn de randvoorwaarden die er moeten zijn zodat de factoren waar wij als organisatie invloed op hebben, opleiding, financiering, markten, etc., het verschil kunnen maken. Als die randvoorwaarden ontbreken, kunnen onze inspanningen toch teniet worden gedaan.
Tot die randvoorwaarden behoren ook andere partijen met fondsen. De idee is altijd dat Rabobanken bijvoorbeeld helemaal door boeren met elkaar zijn opgericht, maar het blijkt dat er altijd veel grote partijen bij betrokken zijn, die de fondsen hadden – de ‘enabling environment’. Boeren trekken het niet puur uit zichzelf. Net als bij eerder het NCW dit welbegrepen eigenbelang een rol speelde: grote industriëlen die het belang zagen van het welzijn van medewerkers.

Landbouwstrategie
Een paradigma-verandering impliceert ook dat we nu weer eens iets ander gaan doen, en dat is nu juist wat de afgelopen decennia schortte aan het beleid. We doen iets een aantal jaren, worden er moe van of zien te weinig resultaten, en dan gaan we ander beleid voeren. De relatie met de landbouwstrategie in de landen waar je werkt, moet je goed in de gaten houden. Dat betekent dat je je afvraagt van wie het paradigma is waaruit je werkt, van de hulpverlenende instantie of van de regering ter plekke. Het paradigma van de jonge ondernemende boer lijkt vooral dat van de hulpverlenende instantie te zijn. Als hulpverlener kan je je permitteren die keuze te maken. De overheid moet een totaal pakket bieden en heeft andere en bredere belangen dan dit specifieke onderwerp.
Als je niet in de gaten hebt in welke context je interventie gaat werken, dan houd je geen rekening met de ‘enabling environment’. IFPRI heeft in Mozambique gebieden in kaart gebracht naar hun potentie: waar kan de markt het zelf, waar moet de boerenbevolking geholpen worden een stap vooruit te doen. Die analyse hebben we de afgelopen jaren kunnen ontwikkelen.
In Ethiopie is er een drie sporen beleid: één gericht op de voedsel-onzekere gebieden, waar boeren te weinig voor hun eigen onderhoud produceren; een tweede voor de voedsel-overschot gebieden, waar boeren meer produceren dan ze zelf nodig hebben, maar niet echt commercieel zijn; en een derde gericht op de commercieel opererende boeren. Dat maakt het complex, want je kan zo drie gebieden onderscheiden voor je beleid, maar tekorten kunnen overal voorkomen. Je krijgt dan een matrix van geografische gebieden en het type boer. Het land moet beleid in die drie lijnen ontwikkelen. Nederland probeert op alle drie gebieden steun te geven, maar het is voor organisaties moeilijk hierop in te spelen.

Taboe op succes?
Beleid heeft zich lang niet gericht op succesvolle mensen, bang om verschillen te vergroten. Succesvolle mensen waren verdacht, werden niet als ‘agents of change’ gezien. Er is nog steeds een weerstand, maar het besef dringt zich ook op dat de subsistence farmers misschien meer alternatieve werkgelegenheid zijn, zoals het verkopen van de straatkrant dat ook is. Maar je bouwt de economie niet op met straatkrant verkopers. Je kan niet alle mensen met het zelfde middel vooruit helpen en het taboe dat je je niet mag richten op hen die het al wat beter hebben, moeten we doorbreken.
Ieder die in beleidsuitvoering zat, stuitte op deze paradox. Leiderschapstraining werd in de internationale samenwerking afgewezen, ook inclusief leiderschap. Voor het onderwijs gold hetzelfde: het ging om enkel basisonderwijs, universiteiten kwamen niet in het vizier. Maar met basisonderwijs alleen bouw je geen maatschappij op.
De focus op de jonge ambitieuze boer werkt uiteindelijk aan armoedebestrijding. Je hebt voorlopers nodig. Wie zijn voorbeelden? Een bedden ondernemer in Benin schok van het leegvissen van de oceaan en heeft een farmer-fieldschool opgezet om aquacultuur, ook op dorpsniveau, mogelijk te maken. Er zijn Afrikaanse kapitalisten die dit kunnen dragen. Hoe kan je daarnaast zo’n strategie koppelen aan armoede bestrijding, ook voor vrouwen; als het commercieel interessant wordt, worden de vrouwen de markt uitgedrukt.

Ondernemerschap
Ondernemerschap is niet voor iedereen, het is iets bijzonders. Ook niet iedere zzp-er is een ondernemer, voor velen is het ook vaak een stap bij gebrek aan betere perspectieven. Waar je naar toe moet, is dat de succesvolle ondernemers werkgelegenheid creëren en dat de minder succesvolle dan bij hen werkt vinden. Dat is de spin-off is naar andere sectoren in de lokale economie. Wat je in de landbouw doet, blijkt voor de werkgelegenheid met een factor twee te worden vermenigvuldigd. Armoedebestrijding gaat het snelst via de landbouw: de onderkant profiteert in den brede het snelst van verbeteringen in de landbouw; via de industrie en dienstensector werken verbeteringen langzamer door. We moeten daarom ook weer niet te gauw van de lijn van armoede bestrijding afstappen.
Met de toenemende vraag in de Afrikaanse stad, wordt horticultuur in plaats van bulk gewassen interessanter voor jonge boeren. Daarnaast is er meer en meer vraag naar bewerkt voedsel. De toekomst van jonge entrepreneurs zit niet in alleen de productie, maar ook in het bewerken van producten: hoe speelt het beleid hierop in.
Meer in het algemeen zijn er kansen aan het einde van de keten, bij de consument. Jongeren zijn geïnteresseerd in de kansen en de dynamiek van de urbane logistiek.

Onderwijs
Met onderwijs moeten we naar een andere aanpak. Het eigene van de landbouw is dat je ‘bedrijfsopleidingen’ extern moet organiseren, niet zoals in ander industrie, intern. Je moet kijken naar het verbeteren van de onderwijsinfrastructuur en andere innovatieve oplossingen. Je kan samen met het bedrijfsleven zorgen dat de opleidingen en het ondernemerschap waar de markt behoefte aan heeft, beschikbaar komt.
In het lagere landbouw onderwijs, de 12-18 jarigen, zijn geen echte successen; voor Afrika is daar geen goed model voor gevonden. Publieke landbouwvoorlichting is te duur en te weinig effectief. Meer voorlichting via private sector is efficiënter. Maar wat doe je met de 12-18 om die iets te leren over landbouw zodat ze enthousiast worden. Als je naar de universiteit gaat, is het allemaal geen probleem, maar de groep die dat niet kan, die haakt af, gaat naar de stad, en raakt werkloos. Je moet werk en ondernemerschap bieden voor de groep die net niet tot de top behoren zodat ze in de landbouwsector blijven.
Landbouwonderwijs moet zich dus niet alleen richten op de vakbekwaamheid, maar ook op entrepreneur-vaardigheden. Dat ontwikkelen betekent niet dat je het hele onderwijsprogramma op je bord laadt, weg van de overheid. Als Nederland kun je niet de infrastructuur in een land opzetten. Wat je wel te bieden hebt, is een heel goede onderwijs-sector, die toch veel moeite heeft hun kennis te weg te zetten in ontwikkelingslanden. Hoe kunnen HAS en Larenstein beter hun kennis kwijt. Kijk daarvoor ook bij het bedrijfsleven, want daar is een gebrek aan capaciteit van mensen met hbo-niveau om na te denken over strategieën en met kennis van de cultuur ter plekke.
Het bedrijfsleven heeft nog een andere rol naast het onderwijs. Veel boeren weten niet precies welke soort kwaliteit geleverd moet worden. Je kan op de markt verkopen, of via een onderneming, maar wat bied je aan en hoe. Het bedrijfsleven kan die eisen goed terug vertalen naar wat de boer moet leveren. Daarop kan je dan in het onderwijs instellen. Daarvoor heb je geen onderwijssysteem nodig, maar moet bedrijfsleven meedoen. Landbouwvoorlichting is daarbij een intermediair tussen boer en bedrijfsleven.
Open data die beschikbaar is voor de landbouw kan een enorme impuls geven aan onderwijs en biedt een nieuwe manier van leren en levenslang leren. De context verandert hiermee – je kan bodemonderzoek, de data online versturen naar ‘Wageningen’ die die data analyseert en dan weet je wanneer je moet planten. Er is wat dat betreft nog wel veel verschil, het ene land heeft de infrastructuur, andere landen hebben de inhoud.
Vermenigvuldiging van resultaat
Probleem hier is wel het voorbeeld dat die kinderen hebben: als zij zien dat hun ouders heel hard hebben moeten werken om net te overleven, is dat beroep voor hen niet aantrekkelijk. Maar wat is voor hen voor een alternatief?
De oplossing ligt gedeeltelijk buiten de landbouw. Niemand wil z’n hele leven in de grond van het eigen postzegeltje hakken en waarom zou je een opleiding volgen als dat postzegeltje je toekomst is. Landversnippering moet daarom voorkomen worden. In Nederland is het informele recht dat één de boel erft, zodat je niet het land versnippert. Erfrecht, grondpolitiek en de politieke dialoog is een aspect dat je ook moet beantwoorden.
Het soort landbouw, intensief of extensief, speelt hier ook een rol. Met een kas van 20x30 meter kom je een heel eind. Voor extensieve gewassen is het een heel ander verhaal. Dan moet je je op ‘outgrower’ richten, een bedrijf dat mensen in dienst heeft, en als bedrijf een voorbeeld neerzet, met verwerking van producten, training, etc. De AAA doet dat, bijvoorbeeld. Die gaat met een koffiebrander aan de slag die dan weer met koffieboeren aan de slag gaat. Je krijgt dan ook een vermenigvuldiging van effect.
Voor de gebieden met boeren die maar nauwelijks in hun eigen eten kunnen voorzien, moet je een heel andere beleid ontwikkelen. Voor sommige boeren, de food insecure boeren, is er geen landbouwtechnische oplossing: die hebben te weinig land, of zijn geen goede boer, etc. Je moet aandacht geven aan de boeren in het grijze gebied, die met een beetje aandacht toch mee kunnen komen omdat ze wel íets in hun mars hebben. Degenen die niet mee kunnen, kunnen als boerenarbeider werken bij de outgrower.
Succesvolle boeren zijn bijna allemaal vrouwen, en als het succes er eenmaal is, zijn de mannen er ineens ook. Het is ook een teken van welvaart, dat ze dan samen kunnen leven van het bedrijf. Is het erg dat de man dan weer de leiding neemt? In Nederland is dat ook heel veel het geval. Het is heel ingewikkeld om als buitenstaander hier een beoordeling te vormen. Het is genuanceerder dan alleen maar te zeggen dat de vrouwen er dan weer uitvallen.

Enkele lijnen tot slot
Afrikaanse landen zetten hun eigen landbouwbeleid uit en hebben daarvoor ook verplichtingen ten opzchte van elkaar aangegaan. Hoe kunnen Nederlandse organisaties daarop aanhaken, waarop moet je je energie richten? Kijken of het beleid acceptabel is, of kijken of de ‘enabling’ factoren aanwezig zijn en zo niet, dat te repareren.
In Ethiopie voert Nederland integrale programma’s uit met ngo’s en de overheid, waarmee een brug geslagen wordt tussen wat Nederland doet en wat de nationale overheid doet. Zo voorkom je dat in ‘splendid isolation’ programma’s worden uitgevoerd. Het gaat om de context en de verbinding met de nationale overheid.
De overheid beschouwen we vaak als randvoorwaardelijk, maar het gaat erom dat je ziet dat interventies de omgeving veranderen; dat je in en door het werk aan de overheid laat zien wat werkt en zij kunnen aanhaken. Je ingrijpen is niet op basis van de omstandigheden die er zijn, maar wat je doet is een illustratie van de verandering die je wilt bewerkstelligen, het overstijgt het randvoorwaardelijk denken en maakt de omgeving niet alleen transactioneel maar zelfs indirect tot doelwit van je interventie.

Aanvullende literatuur:
IFPRI en SOW studie “From subsistence to profit”: www.ifpri.org/publication/subsistence-profit-transforming-smallholder-farms |
Overzicht gemaakt door ASC - Ton Dietz: www.foodfirst.eu/19juni2012/ASC_InfosheetConsumptionProduction.pdf

foodFIRST for thought

Opinions and verbatim reports of the foodFIRST activities

Vijverbergsession 2 December: A policy paradigm for rural development cooperation in Africa
22-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 21 October 2015: Private sector-led greening of agriculture in Africa
15-12-2015 | Hans Groen

Vijverbergsession 3 December 2014, Van smallholders tot ondernemers
19-01-2015 | Marijke van Hooijdonk

Vijverbergsession 10 September 2014: Family Farming and Financial Services
01-12-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsessie 5 maart 2014: De watervoetafdruk van agrarische producten
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 7 mei 2014, Het Dutch Good Growth Fund
11-09-2014 | Hans Groen

Vijverbergsession 2 juli 2014: De rol van regionale markten voor voedselzekerheid in Afrika
12-08-2014 | Marieke De Sonnaville

Vijverbergsession 2 april 2014: The oceans as a food source; towards sustainable governance
15-05-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 16 oktober 2013: De nexus tussen water, energie en voedselzekerheid
26-03-2014 | Hans Groen

Stadslandbouw: bonestaken tussen de flats of voetballende kinderen?*
11-03-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 11 december 2013: Boerengezinsbedrijven en de onderzoeksagenda voedselzekerheid
10-03-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 15 januari 2014 Voedselverspilling in de keten
13-02-2014 | Hans Groen

Vijverbergsessie 6 november 2013: Governance van oceanen als mondiale publieke goederen -- De pelagische visserij als casus
13-02-2014 | FoodFIRST Editors

Vijverbergsessie 25 september 2013: Food security and nutrition security
17-12-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 22 mei 2013: Water en voedselzekerheid
06-08-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 20 maart 2013: Coöperaties en Landbouwontwikkeling
17-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie 17 april 2013: Cultuur, Religie en Voedsel
14-06-2013 | Hans Groen

Vijverbergsessie: Voedselzekerheid; wat werkt?
03-04-2013 | Karlijn Muiderman

Vijverbergsessie: De Lessen van Venlo
26-03-2013 | Femmy Bakker-de Jong

Urban Agriculture
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

The Business of Food and Nutrition Security
16-10-2012 | Karlijn Muiderman

FoodFirst in Practice
27-09-2012 | Wim Peeters

19 June 2012: Investing in Food Security & Food Markets in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

29 May 2012: Breaking the hunger cycle in Africa
21-08-2012 | Hans Groen

8 May 2012: Food and Sustainability: Please, enjoy your steak
14-05-2012 | Hans Groen

24 April 2012: Cooperatives and Development
14-05-2012 | Hans Groen

15 March 2012: VoedselZaken over grenzen heen
23-03-2012 | Hans Groen

Landbouw en handelsliberalisering, GLB en WTO Vijverbergsessie 16 januari 2012
26-01-2012 | Hans Groen

Food and Geopolitics, Vijverberg session 21 november 2011
26-01-2012 | Hans Groen

Pastoralism, Vijverberg session 9 June 2011
12-12-2011 | Hans Groen

Workshop Pastoralism, Ministry EL&I 29 September 2011
06-10-2011 | Hans Groen

Voedsel brengt geopolitiek terug in platte wereld
05-10-2011 | Cor van Beuningen